Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[de vader] ,
,
Gerechtshof Amsterdam
De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die het gezag over hun minderjarige kind beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogdes benoemde. Het kind is sinds 2020 onder toezicht gesteld en sinds 2021 uit huis geplaatst vanwege ernstige problemen in de thuissituatie, waaronder verslavingsproblematiek en onveilige omstandigheden.
Het hof constateert dat de ouders niet in staat zijn gebleken een veilige en toereikende opvoedingssituatie te bieden en dat er geen uitzicht is op verbetering binnen een voor het kind aanvaardbare termijn. Ondanks hulpverlening en meerdere toetsingen door de kinderrechter is terugplaatsing niet mogelijk gebleken. Het kind woont inmiddels ruim twee jaar in een pleeggezin waar zij goed gehecht is en zich positief ontwikkelt.
De ouders zijn onvoldoende betrokken bij de hulpverlening en komen afspraken niet na, wat leidt tot onrust en gedragsproblemen bij het kind. Het hof acht het belang van het kind gediend met het bestendigen van de plaatsing in het pleeggezin en het beëindigen van het gezag van de ouders. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de ouders over het kind en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogdes.