Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Grief 2komt op tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] vanaf april 2020 geen huur meer heeft betaald. Met
grief 3bestrijdt [appellant] de overweging dat niet gebleken is dat Stadgenoot vanaf april 2020 zou hebben ingestemd met een betaalstop. Met
grief 12voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het, gezien alle omstandigheden van het geval, met name door de hoge huurachterstand per april 2021, gerechtvaardigd is te komen tot de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
.Deze grieven hebben geen succes. Dit berust op het volgende.
grief 4in dat de kantonrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan het standpunt van [appellant] dat de huurprijs verder moet worden verlaagd omdat aan de woning meer gebreken zouden kleven.
grief 6betoogt [appellant] dat de werkzaamheden die Stadgenoot in de woning van [appellant] heeft uitgevoerd geen dringende werkzaamheden waren maar een renovatie betroffen en dat daarom de op de voet van artikel 7:220 lid 6 BW Pro gevorderde verhuiskostenvergoeding ten onrechte is afgewezen. Met
grief 7klaagt [appellant] over het oordeel dat niet is gebleken dat hij door de werkzaamheden in zijn woning kosten heeft gemaakt voor tijdelijke bewoning elders.
grieven 8 en 9richten zich tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door [appellant] gevorderde vergoeding van de gestelde schade aan zijn inboedel. Deze grieven falen omdat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat (i) de inboedel van [appellant] is beschadigd en (ii) Stadgenoot voor schade aan de inboedel aansprakelijk is omdat zij of (haar aannemer) [bedrijf 1] die heeft veroorzaakt. De stellingen over de vermeende schade zijn namelijk ook in hoger beroep onvoldoende concreet, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Stadgenoot. Uit de producties die [appellant] in hoger beroep heeft overgelegd, blijkt bijvoorbeeld onvoldoende duidelijk welke schade [appellant] heeft geclaimd.
grief 13, die opkomt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, geen doel treft. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.