De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een pand met winkel- en opslagruimte vast op €285.000 voor het jaar 2019. Belanghebbende maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om schadevergoeding af.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het bezwaar tijdig per post was verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken. De heffingsambtenaar handhaafde het standpunt dat het bezwaar pas op 11 maart 2020 was ontvangen, na de wettelijke termijn van zes weken die op 12 februari 2020 eindigde.
Het hof overwoog dat de enkele verklaring van gemachtigde onvoldoende bewijs vormde en dat de bewijslastverdeling correct was toegepast. Ook werd gewezen op de handelswijze van gemachtigde die mogelijk tot verwarring leidde. Het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat deze termijn niet was overschreden.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.