Deze zaak betreft de juridische positie van de moeder in de procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar twee kinderen. De rechtbank Amsterdam had de ondertoezichtstelling verlengd en de moeder slechts als informant aangemerkt. De moeder was het eens met de verlenging maar wilde als belanghebbende worden erkend om volledige inzage in de stukken te verkrijgen en hoger beroep te kunnen instellen.
Het hof ontving de beroeps- en verweerschriften en hield een mondelinge behandeling. De kinderen werden niet gehoord vanwege het onderwerp van de procedure, dat niet direct hun belang raakte. De moeder en de gecertificeerde instelling waren aanwezig, evenals de advocaat van de vader.
De moeder en vader waren tot 2016 getrouwd en oefenden gezamenlijk gezag uit. Dit gezag werd in 2022 beëindigd ten gunste van de vader, met een omgangsregeling en contactverbod voor de moeder. De kinderen stonden sinds 2019 onder toezicht en zijn in 2020 uit huis geplaatst bij de vader. De moeder voerde aan dat zij belanghebbende is omdat de ondertoezichtstelling ook betrekking heeft op haar contact met de kinderen en rechten uit het EVRM.
Het hof oordeelde dat de moeder geen belanghebbende is omdat zij niet met gezag is bekleed en de ondertoezichtstelling primair de belangen van de kinderen dient. Haar rechten uit het EVRM kunnen via andere procedures worden geëffectueerd. Daarom is zij niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De moeder had wel voldoende belang om het beroep in te stellen, maar het hof zag geen reden voor een proceskostenveroordeling.