Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van lachgas zonder zich aan de daarvoor geldende voorschriften te houden.
De zaak betrof het aantreffen van elf drukhouders met lachgas in de auto van verdachte, met een totaalgewicht van 24 kilogram. Verdachte verklaarde tegenover de politie dat hij de flessen had opgehaald om door te verkopen, maar gaf ter zitting een andere verklaring die het hof ongeloofwaardig achtte. Het hof ging uit van de eerdere verklaring en achtte bewezen dat de flessen gevuld waren en dat het vervoer niet aan de voorschriften voldeed.
De rechtbank had een geldboete van €500 opgelegd, subsidiair tien dagen hechtenis. Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft de geldboete en legde een voorwaardelijke geldboete van €500 met een proeftijd van twee jaar op, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd begaan en de persoonlijke situatie van verdachte.
Het hof benadrukte dat het vervoer van lachgas zonder naleving van voorschriften risico's voor de veiligheid van personen en goederen inhoudt. Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder financiële problemen en het feit dat het delict enige tijd geleden is gepleegd, acht het hof een voorwaardelijke geldboete passend.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam op 31 augustus 2023.