Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[de moeder] ,
[de vader] ,
,met wie de voorzitter voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek heeft gehad.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen gescheiden ouders over de schoolkeuze en zorgregeling voor hun minderjarige kind, geboren in 2011. De moeder is verhuisd naar plaats A, terwijl de vader in plaats B woont. Het kind is ingeschreven op twee middelbare scholen in verschillende plaatsen, maar ouders konden geen overeenstemming bereiken over de definitieve schoolkeuze en zorgregeling.
De rechtbank had aan de vader vervangende toestemming verleend om het kind naar school 1 in plaats B te laten gaan, met een vakantieregeling waarbij het kind de vakanties gelijk verdeeld bij beide ouders doorbrengt. De moeder ging in hoger beroep en verzocht onder meer om het hoofdverblijf bij haar in plaats A te bepalen en het kind op school 2 in plaats C in te schrijven.
Het hof heeft de belangen van het kind en ouders zorgvuldig afgewogen, waarbij het belang van gelijkwaardige zorg, praktische uitvoerbaarheid, sociale contacten en beschikbaarheid van ouders centraal stonden. Het hof concludeerde dat het kind het beste naar school 1 in plaats B kan gaan, dicht bij de vader en het treinstation, wat reistijd en belasting beperkt. De hoofdverblijfplaats bij de moeder werd afgewezen omdat de zorgregeling voldoende tijd met beide ouders biedt.
De zorgregeling voorziet in een wisseling op donderdagmorgen en een weekendverdeling in spiegelbeeld, waarbij het kind vier nachten bij de vader en drie nachten bij de moeder verblijft. Beide ouders dienen zich in te spannen voor een verantwoorde uitvoering van deze regeling. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, met afwijzing van de overige verzoeken van de moeder.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking om het kind op school 1 in plaats B te laten gaan en wijst het verzoek van de moeder af om hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen, met een zorgregeling die recht doet aan beide ouders.