Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep in een echtscheidingszaak waarbij het gezag, de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de omgangsregeling, alimentatie en de verdeling van het huwelijksvermogen aan de orde waren.
De vrouw verzocht onder meer het gezamenlijk gezag in stand te houden, het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, een co-ouderschapsregeling vast te stellen en partner- en kinderalimentatie toe te wijzen. De man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en stelde zich op het standpunt dat het gezag bij hem moest blijven en dat de vrouw geen vaste woonplaats heeft.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een omgangsregeling waarbij de kinderen de moeder na een opbouw tweemaal per week en in het weekend zien, en stelde voor het gezag nader te onderzoeken. Het hof volgde dit advies en stelde een voorlopige omgangsregeling vast. Het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats bij de vrouw en de alimentatieverzoeken werden afgewezen. De verdeling van het huwelijksvermogen werd bekrachtigd volgens het recht van de staat Vermont, waarbij de woning aan de man werd toegekend zonder verrekening.