ECLI:NL:GHAMS:2023:230
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs schorsing rijbewijs op moment van rijden
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 21 mei 2020 een motorrijtuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs geschorst was. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd omdat niet kon worden vastgesteld dat het schorsingsbesluit bekend was gemaakt aan de verdachte en dat het besluit ten tijde van het rijden van kracht was.
De advocaat-generaal stelde dat de verdachte op de hoogte was van de schorsing, onder meer op basis van zijn eigen verklaringen. De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was van een schriftelijke mededeling van het CBR aan de verdachte en dat de verdachte twijfelde over de geldigheid van zijn rijbewijs.
Het hof oordeelde dat volgens vaste rechtspraak het schorsingsbesluit niet alleen moet zijn genomen, maar ook bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht op het moment van het rijden. In dit dossier ontbraken stukken waaruit de bekendmaking en het moment van inwerkingtreding konden worden vastgesteld. De registratie bij de RDW volstond niet als bewijs.
Daarom kon het hof niet vaststellen dat de verdachte het tenlastegelegde had begaan en sprak hem vrij. Dit arrest benadrukt het belang van zorgvuldige bekendmaking van schorsingsbesluiten en de noodzaak dat het CBR een duidelijk moment van inwerkingtreding bepaalt.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat het schorsingsbesluit bekend was en van kracht op het moment van het rijden.