ECLI:NL:GHAMS:2023:2620
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing
In deze civiele zaak verzocht [verzoeker] het Gerechtshof Amsterdam om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten in het kader van een lopend hoger beroep tegen [verweerster]. [Verzoeker] stelde dat hij aanzienlijke bedragen aan [verweerster] in bewaring had gegeven en wilde getuigen horen over deze geldstromen en zijn verzoeken tot teruggave.
De rechtbank had eerder de vordering van [verzoeker] afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. [Verzoeker] stelde dat zes getuigen, waaronder hijzelf, konden verklaren over het in bewaring geven van gelden en de terugvorderingen. [Verweerster] betwistte dit gemotiveerd en verwees onder meer naar verjaring en ontkende de ontvangst van gelden.
Het hof oordeelde dat het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor onvoldoende feitelijk was onderbouwd. Er was geen concreet bewijs of feitenmateriaal dat zonder het verhoor verloren zou gaan. Het bewijsaanbod was te vaag en niet toereikend volgens artikel 166 Rv Pro. Ook ontbrak een voldoende belang bij het gelasten van het verhoor.
Daarom wees het hof het verzoek af en bepaalde dat ieder zijn eigen kosten draagt, mede gelet op de familieband tussen partijen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 17 oktober 2023.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.