Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
.Daarbij komt dat de door [appellant] ingestelde vordering (nog steeds) strekt tot betaling aan hem en niet tot betaling aan de deelgenoten gezamenlijk.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant en zijn partner sloten een koopovereenkomst voor een woning die later gebreken vertoonde. Appellant stelde een vordering in tegen de verkopers voor herstelkosten en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter wees de vordering af omdat appellant niet namens de gemeenschap van eigenaars had geprocedeerd, terwijl de woning gezamenlijk eigendom was.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij als deelgenoot bevoegd was te procederen op grond van art. 3:171 BW Pro en een last of volmacht van zijn partner had. Het hof oordeelde dat appellant in de dagvaarding niet kenbaar had gemaakt namens de gemeenschap op te treden en dat de vordering gericht was op betaling aan hem persoonlijk, niet aan de gemeenschap. De volmacht werd pas na dagvaarding gegeven, waardoor appellant niet in die hoedanigheid kon procederen.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter voor zover de vordering werd afgewezen en verklaarde appellant niet-ontvankelijk in zijn vordering. Een inhoudelijke beoordeling van de gebreken aan de woning werd daarom niet gegeven. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij de vordering niet namens de gemeenschap heeft ingesteld.