Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief 1gegrond. Voor zover [appellante] heeft gesteld dat dit registergoed ook vóór 2003 al eigendom was van de familie [appellante] , heeft [geïntimeerde] dit betwist en heeft [appellante] haar stelling niet nader toegelicht, zodat het hof die stelling passeert.
grief 2in zoverre faalt.
3.De beoordeling
in conventiegevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat de Strook haar eigendom is en, voorts, een bevel – op straffe van verbeurte van een dwangsom – aan [geïntimeerde] zich te onthouden van ieder gebruik van de Strook alsmede een veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 4.053,50 (met wettelijke rente), met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en van zijn kant
voorwaardelijk in reconventiegevorderd, kort gezegd, veroordeling – op straffe van verbeurte van een dwangsom – van [appellante] om binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan de levering van de Strook om niet aan de VvE van [geïntimeerde] , met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten. [appellante] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd.
in conventiede vorderingen afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten, inclusief de nakosten, en
in reconventieverstaan dat de vordering geen behandeling behoeft. Tegen deze beslissing alsmede de gronden waarop die beslissing berust komt [appellante] in principaal appel met zes grieven op (waarbij het hof de tweede grief 5 als grief 6 zal aanmerken), terwijl [geïntimeerde] zijn eis in voorwaardelijke reconventie heeft gewijzigd.
grief 5in elk geval faalt.
grief 6evenmin terecht is voorgesteld.