ECLI:NL:GHAMS:2023:2717
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over tussentijdse beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte niet bewezen
In deze zaak stond de vraag centraal of de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte per 1 november 2019 tussentijds met wederzijds goedvinden was beëindigd. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin aan de geïntimeerde bewijsopdracht was gegeven om deze stelling te onderbouwen.
De geïntimeerde overlegde een schriftelijke verklaring en facturen, maar het hof vond deze onvoldoende om de stelling te bewijzen. De verklaring van de vertegenwoordiger van de geïntimeerde was niet duidelijk over de afspraken omtrent de beëindiging en huurcompensatie. Ook de facturen waren niet overtuigend, mede omdat zij betrekking hadden op een periode na de vermeende beëindigingsdatum.
Het hof concludeerde dat de huurovereenkomst niet tussentijds was beëindigd en dat de geïntimeerde daarom gehouden is de huurpenningen over de maanden november 2019 tot en met januari 2020 en mei en juni 2020 te voldoen. Daarnaast werd een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegekend en werden de proceskosten aan de zijde van appellante aan geïntimeerde opgelegd.
Het bestreden vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed nieuwe uitspraak conform deze bevindingen.
Uitkomst: De huurovereenkomst is niet tussentijds beëindigd; geïntimeerde moet huur en kosten aan appellante betalen.