ECLI:NL:GHAMS:2023:2775

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 september 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
23-002467-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen gewoontewitwassen met taakstraf na termijnoverschrijding

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening aan derden. Deze derden pleegden misdrijven en lieten geldbedragen afkomstig uit deze misdrijven op de rekening storten, waarna verdachte deze bedragen doorgaf of contant opnam.

Het hof bevestigt het bewezenverklaarde van het vonnis van de rechtbank, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de opgelegde straf en het bevel op grond van artikel 27 Sr Pro. De rechtbank had een taakstraf van 150 uren opgelegd, maar het hof legt een taakstraf van 120 uren op, waarbij 30 uren in mindering worden gebracht wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof acht het feit ernstig vanwege de bedreiging van de legale economie en de integriteit van het financiële verkeer. Anders dan de advocaat-generaal legt het hof geen voorwaardelijke gevangenisstraf op. De redelijke termijn in eerste aanleg is niet overschreden, mede omdat verdachte niet in voorarrest zat en niet persoonlijk was gedagvaard. Het bevel op grond van artikel 27 Sr Pro wordt niet opgelegd omdat verdachte niet in verzekering of voorlopige hechtenis is gesteld.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 september 2023.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren met 60 dagen hechtenis als vervanging bij niet-nakoming.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002467-20
datum uitspraak: 27 september 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-147671-19 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. R. van Viersen,
[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en het bevel als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis en twee weken gevangenisstraf geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen door zijn bankrekening beschikbaar te stellen aan anderen die misdrijven pleegden, om daarop geldbedragen afkomstig uit deze misdrijven te laten storten en vervolgens zelf door te boeken naar andere bankrekeningen of contant op te nemen. De verdachte heeft daardoor anderen in staat gesteld die misdrijven te kunnen plegen en daarbij enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Een dergelijke handelswijze vormt een ernstige bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Dit is een ernstig feit. Om die reden acht het hof in beginsel een taakstraf van 150 uren passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep is geschonden. Gelet daarop zal het hof 30 uren taakstraf in mindering brengen op de op te leggen straf. Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank is naar het oordeel van het hof geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De verdachte heeft niet in voorarrest gezeten, de dagvaarding in eerste aanleg is niet in persoon uitgereikt en de verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in eerste aanleg.
Nu de verdachte niet in verzekering noch in voorlopige hechtenis is gesteld is er geen grond voor het geven van een bevel als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen
9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en het bevel als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. B.E. Dijkers en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 september 2023.
mr. B.E. Dijkers is niet in staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]