In deze bestuursrechtelijke en douanerechtelijke zaak stond centraal of onderdelen van satellietontvangtoestellen die door verbonden ondernemingen via afzonderlijke aangiften voor het vrije verkeer werden aangegeven, als losse onderdelen of als niet-gemonteerde toestellen moesten worden ingedeeld.
Belanghebbende voerde aan dat de onderdelen niet gelijktijdig ter inklaring waren aangeboden en dat condensatoren van inferieure kwaliteit tijdens assemblage waren vervangen, wat volgens haar de toepassing van indelingsregel 2a uitsloot. De inspecteur stelde dat de onderdelen als niet-gemonteerde toestellen moesten worden ingedeeld.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie werd prejudicieel gevraagd de uitleg van algemene indelingsregel 2a te geven. Het Hof oordeelde dat indien de onderdelen in één container worden vervoerd, op dezelfde dag bij hetzelfde douanekantoor worden aangegeven en eigendom zijn van verbonden ondernemingen, zij als een niet-gemonteerd toestel moeten worden beschouwd.
Het Gerechtshof Amsterdam volgde dit oordeel en stelde vast dat de onderdelen alle bestanddelen van de satellietontvangtoestellen omvatten en dat de vervanging van condensatoren tijdens assemblage geen bewerking is die de toepassing van indelingsregel 2a uitsluit. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, dat van de inspecteur gegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.