Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding
2.De feiten
3.De omvang van het geschil
4.De motivering van de beslissing
(…)
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, gehuwd in 2002 en gescheiden in 2015, zijn het oneens over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap, met name de aandelen in diverse vennootschappen van de vrouw en de eenmanszaak van de man. De peildatum voor waardering is vastgesteld op 24 juli 2014.
De rechtbank had bepaald dat de ondernemingen van de vrouw aan haar worden toegedeeld onder verrekening van de helft van de waarde van de aandelen met de man, en dat de eenmanszaak aan de man wordt toegedeeld. De man stelde hoger beroep in tegen deze verdeling, onder meer omdat hij niet bereid was zijn aandelen in de ondernemingen aan de vrouw te verkopen en hij betwistte de waardering van de ondernemingen.
Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het hof vastgesteld dat partijen niet bereid of in staat zijn de kosten van een deskundigenonderzoek te dragen, waardoor een nieuwe waardering niet mogelijk is. Het hof bekrachtigt daarom de eerdere beschikking van de rechtbank, waarbij de ondernemingen aan de vrouw worden toegedeeld en de eenmanszaak aan de man, met de verplichting tot verrekening van de helft van de waarde van de aandelen tegen de peildatum.
Ook is vastgesteld dat de vrouw bij helfte draagplichtig is voor eventuele schulden van de eenmanszaak op de peildatum, waaronder een latente belastingaanslag. De man’s verzoek om een verklaring voor recht omtrent deze latente schuld wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank over de verdeling van de ondernemingen en eenmanszaak en wijst overige verzoeken af.