Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 juli 2018.
Hoge Raad
Partijen zijn gehuwd sinds 2002 en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw exploiteert samen met haar zuster diverse ondernemingen, waarvan zij en de man ieder 50% van de aandelen bezitten. De man exploiteerde een eenmanszaak. Na echtscheiding vroeg de vrouw de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
De rechtbank kende de ondernemingen van de vrouw toe aan haar onder verrekening van de helft van de waarde, en de onderneming van de man werd verdeeld naar waarde. Het hof wijzigde dit door de ondernemingen zonder verrekening toe te wijzen, waarbij de man de schulden van zijn onderneming moest dragen.
De man stelde dat het hof het verbod van reformatio in peius schond door een ongunstigere beslissing te nemen zonder voldoende motivering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet vrij was om de waarde zonder verrekening toe te wijzen en dat de motivering onvoldoende was, waardoor het arrest werd vernietigd en verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.