In deze civiele tuchtprocedure klaagt klager over de handelswijze van een gerechtsdeurwaarder die in opdracht van zijn ex-echtgenote achterstallige indexaties van kinderalimentatie heeft geïncasseerd. De gerechtsdeurwaarder heeft een exploot betekend met een betalingsbevel voor een onjuist bedrag en vervolgens loonbeslag gelegd. Klager betwistte de gevorderde bedragen en voerde aan dat hij te veel had betaald en dat de gerechtsdeurwaarder niet zorgvuldig had gehandeld.
De kamer voor gerechtsdeurwaarders verklaarde de klacht over onjuiste aannames en berekeningen gegrond en legde een berisping op, terwijl de overige klachten ongegrond werden verklaard. In hoger beroep bevestigt het hof het gegronde klachtonderdeel maar legt het een lichtere maatregel van waarschuwing op. Het hof benadrukt dat de gerechtsdeurwaarder bij alimentatie-incasso's afhankelijk is van de opgave van de opdrachtgever, maar wel een kritische en zorgvuldige houding moet aannemen.
Het hof oordeelt dat de gerechtsdeurwaarder onvoldoende kritisch was over de vermeende achterstand vanaf 2012, terwijl de beschikking pas uit 2014 dateert. De sommatie tot betaling binnen twee dagen is conform wettelijke voorschriften en dus gegrond. De klacht dat klager te veel heeft betaald wordt ongegrond verklaard omdat de hoogte van de vordering niet definitief door de gerechtsdeurwaarder kan worden vastgesteld. Ook de klacht over de reactietermijn en de kostenvergoeding voor juridische bijstand worden afgewezen.
Het hoger beroep leidt tot vernietiging van de opgelegde berisping en vervanging door een waarschuwing. De overige onderdelen van de beslissing van de kamer blijven in stand. Er wordt geen kostenveroordeling in hoger beroep opgelegd.