Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
De werkzaamheden zijn nog niet geheel uitgevoerd overeenkomstig de afgesproken planning van 8 juli 2020
Het stucwerk
Meeting[hier en hierna wordt kennelijk telkens bedoeld: meting; hof]
dB’s
3.Beoordeling
grief Ibetoogt MS22 dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat Q82 met haar factuur van 1 april 2020 om betaling van 45% van de aanneemsom heeft gevraagd (welke 45% op grond van de overeenkomst opeisbaar was ‘voor oplevering’), terwijl het werk verre van gereed voor oplevering was. Q82 heeft volgens MS22 herhaaldelijk ten onrechte en prematuur betaling van deze factuur als voorwaarde gesteld voor het verrichten van verdere werkzaamheden.
grieven IV en V, die tezamen kunnen worden besproken, komt MS22 op tegen het oordeel van de rechtbank (in de overwegingen 4.6 tot en met 4.9 van het bestreden vonnis) dat de ingebrekestelling van MS22 van 24 augustus 2020 (verder: de ingebrekestelling), waarin staat dat het werk op 4 september 2020 moet zijn opgeleverd, geen effect sorteert en dat het verstrijken van een fatale termijn geen grond was voor ontbinding.
grief VIhoudt in dat de rechtbank in overweging 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de stelling van MS22, inhoudende dat wat is opgeleverd niet voldoet, zo opvat dat duidelijk was dat het tot dan toe geleverde werk zo slecht was, dat de studio nooit zou kunnen gaan voldoen. Volgens MS22 heeft de rechtbank aldus een te strenge maatstaf gehanteerd. De grief mist doel op grond van het volgende.
grief VIbetoogt MS22, kort gezegd, dat de rechtbank in de overwegingen 4.15 tot en met 4.17 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat de overeengekomen geluidisolatie van 49dB zou kunnen worden gehaald.
grieven VII en VIII,gericht tegen de overwegingen 4.18, 4.21, 4.22 en 4.24 van het bestreden vonnis, voortbouwen op de eerdere grieven, falen zij op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.
grief IXbetoogt MS22 dat de rechtbank in reconventie een te laag bedrag aan besparingen van de pro resto aanneemsom heeft afgetrokken. De grief faalt op grond van het volgende.
kostenposten van Q82. Daargelaten dat het hof niet duidelijk is in welk verband, wanneer en door wie dat stuk is opgesteld, gaat het in het kader van de hier aan de orde zijnde kwestie niet om de kosten van Q82 (in beginsel is MS22 Q82 namelijk de overeengekomen aanneemsom verschuldigd, voor zover nog niet betaald) , maar om de besparingen die Q82 geniet als gevolg van het feit dat zij het werk niet behoeft af te maken. Tegen de door de rechtbank op dit punt in overweging 4.28 van het bestreden vonnis gevolgde redenering en becijfering, die sluit op een door MS22 aan Q82 nog te betalen bedrag van € 15.480,24, heeft MS22 geen enkel (steekhoudend) argument ingebracht.
grief IXbetoogt MS22 dat de rechtbank ter zake van ontbindingsschade ten onrechte een bedrag van € 2.500,00 vanwege door Q82 niet meer te gebruiken materialen heeft toegewezen.
grief Xkomt MS22 allereerst op tegen de toewijzing door de rechtbank van een bedrag van € 1.143,21 aan buitengerechtelijke incassokosten.