Belanghebbende voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het beroep ongegrond verklaarde en de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2016 bevestigde. Centraal stond de vraag of belanghebbende voldeed aan het urencriterium van ten minste 1.225 uur aan ondernemingsactiviteiten om recht te hebben op zelfstandigen- en startersaftrek.
Belanghebbende overlegde urenregistraties en andere bewijsstukken, waaronder een achteraf opgestelde urenkaart en e-mailcorrespondentie. Het Hof oordeelde dat deze stukken te globaal en onvoldoende gespecificeerd waren, met name omdat de urenregistratie slechts getotaliseerde stelposten bevatte en deels achteraf was opgesteld. Daarnaast was sprake van een aanzienlijke hoeveelheid uren in loondienst, wat het aannemelijk maken van het urencriterium verder bemoeilijkte.
Het Hof verklaarde bovendien een groot deel van de tijdens de zitting overgelegde aanvullende bewijsstukken tardief en wees deze af wegens onvoldoende onderbouwing waarom deze niet eerder waren ingediend. Gezien de bewijslast rustend op belanghebbende en het ontbreken van voldoende bewijs, oordeelde het Hof dat het urencriterium niet was gehaald en bevestigde het de aanslag en de afwijzing van de aftrekposten.
De procedurekosten werden niet toegewezen, maar de griffierechten werden vergoed vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak werd gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 31 januari 2023.