ECLI:NL:GHAMS:2023:448
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis aannemingswerkzaamheden
In deze civiele zaak vordert appellant de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarin hij is veroordeeld tot betaling van €646.759,51 aan geïntimeerde voor aannemingswerkzaamheden. Appellant stelt dat hij reeds meer heeft betaald dan verschuldigd en dat het loonbeslag op zijn vennootschappen leidt tot onrechtmatige schade.
Het hof overweegt dat een veroordeling die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard in beginsel ten uitvoer kan worden gelegd tijdens hoger beroep, tenzij het belang van appellant bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van geïntimeerde bij tenuitvoerlegging. Het hof acht de door appellant aangevoerde gronden onvoldoende concreet en aannemelijk om af te wijken van dit uitgangspunt.
Het hof concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij reeds volledig heeft voldaan aan het vonnis, noch dat er een reëel restitutierisico bestaat. Ook de gevolgen van het loonbeslag zijn onvoldoende concreet onderbouwd. De beoordeling van eventuele onjuiste stellingen hoort thuis in de hoofdzaak.
Daarom wijst het hof de vordering tot schorsing af en houdt het de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak en het incident ex artikel 843a Rv is gepland op 11 april 2023.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.