Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2020, waarin verdachte werd veroordeeld voor aanranding van de feitelijke eerbaarheid. Het hof bevestigde het bewezenverklaarde, maar vernietigde de opgelegde straf en stelde een nieuwe straf vast.
De aangeefster verklaarde dat verdachte haar ongewenst betastte en met een erectie achter haar ging liggen. Haar verklaring werd ondersteund door getuigenverklaringen, waardoor het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv werd gehaald. De verdediging voerde aan dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vond, maar dit werd door het hof verworpen.
Het hof sprak verdachte vrij van het onderdeel betasting van de vagina, omdat daarvoor onvoldoende bewijs was. De straf werd aangepast naar een gevangenisstraf van 1 dag met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis. De redelijke termijn was in hoger beroep met bijna 7 maanden overschreden, maar dit leidde niet tot strafmatiging.
Het hof benadrukte de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer en de samenleving, maar hield rekening met het ontbreken van eerdere strafbare feiten van verdachte. Het vonnis werd in zoverre vernietigd en opnieuw recht gedaan met de nieuwe strafoplegging.