De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen beschikkingen van de kinderrechter die een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige dochter met diabetes type 1 hebben verleend. De vader voert aan dat hij zorg draagt voor zijn dochter en hulpverlening accepteert, maar erkent dat de puber soms onverstandige keuzes maakt en hij moeite heeft met praktische zaken en de samenwerking met de gezinsmanager.
De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunen de uithuisplaatsing vanwege de kwetsbare gezondheid van de minderjarige, de onvoorspelbare communicatie van de vader en het ontbreken van rust, reinheid en regelmaat in de thuissituatie. De minderjarige verblijft sinds november 2022 in een 24-uurs zorgsetting waar zij meer structuur en rust ervaart.
Het hof oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De vader komt onvoldoende tegemoet aan de zorgbehoefte en opvoeding, wat schadelijk is voor haar gezondheid en sociaal-emotionele ontwikkeling. De positieve ontwikkelingen in de zorginstelling bevestigen dit. Het hof bekrachtigt daarom de beschikkingen en wijst het hoger beroep van de vader af.