Appellante is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin haar vordering tot betaling wegens niet-betaalde huur van een auto door geïntimeerde werd afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst tussen een handelaar en een consument onder de regels van het consumentenrecht valt, met name de precontractuele informatieplichten uit artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW. Appellante had geen bewijs geleverd dat zij aan deze informatieverplichtingen had voldaan, zoals bijvoorbeeld schermafdrukken van het bestelproces.
In hoger beroep stelde appellante dat zij alsnog het bestelproces wilde overleggen en haar vordering opnieuw wilde laten beoordelen. Het hof stelde dat grieven duidelijk en gemotiveerd moeten worden ingediend, waarbij moet blijken op welke gronden het hof anders zou moeten beslissen dan de kantonrechter. Appellante verwees wel naar producties, maar gaf geen toelichting op de relevantie daarvan en stelde niet dat zij aan de precontractuele informatieplichten had voldaan.
Daarom oordeelde het hof dat de grief niet behoorlijk in het geding was gebracht en verklaarde appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Tevens werd niet ingegaan op de vermeerdering van de eis omdat deze niet aan geïntimeerde was betekend. Het arrest werd uitgesproken door het gerechtshof Amsterdam op 13 februari 2024.