Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1 in principaal hoger beroepkomt de BV op tegen een gedeelte van de vaststelling onder 2.2. Het hof zal met het ter zake door de BV gestelde rekening houden. Omdat partijen daartegen voor het overige geen bezwaren naar voren hebben gebracht, zal ook het hof van de door de kantonrechter vastgestelde feiten uitgaan. Tevens zal het hof melding maken van enkele andere tussen partijen vaststaande feiten. Het gaat om het volgende.
4. Verdeling kosten voor het gemeenschappelijk personeel
3.Beoordeling
grief in incidenteel hoger beroepkomt [geïntimeerde] op tegen de toewijzing door de kantonrechter van het bedrag van € 2.080,30 wegens de afrekening over 2019 uit hoofde van de poolovereenkomst.
grief 2 in principaal hoger beroep.De met deze grief gewraakte overweging 7.14 ziet immers (kennelijk) alleen op de afrekening over 2019. Overigens onderschrijft het hof het met de grief bestreden deel van de overweging inhoudende dat uit de controle van de eindafrekening van de BV door de accountant van [geïntimeerde] niet mag worden afgeleid dat [geïntimeerde] met de afrekening heeft ingestemd.
grieven 3 en 4 in principaal hoger beroepkomt de BV op tegen de afwijzing door de kantonrechter van haar vordering over 2020 ter grootte van € 10.991,47. Zij kunnen gezamenlijk worden behandeld.
correct, afspraak is dat dit loopt totdat je een andere tandarts hebt gevonden hebt en we dan een balie-assistente aannemen. Ik denk dat bereikbaarheid tot 16.00 uur voldoende is, dus 3 uur voor de middagIk stel voor dat we dit per kwartaal beoordelen beginnende op 1 april 2020 (…)
mag wat mij betreft ook eerder ingaan en ik wil wel weten wie er zit en wanneer en wordt er vanzelfsprekend algemeen praktijkwerk verricht (…)”.
grieven 6, 7 en 10 in het principaal hoger beroepmissen zelfstandige betekenis en kunnen dan ook onbehandeld blijven. Wel herhaalt het hof dat de BV bij haar vordering ter zake de poolovereenkomst miskent dat de kantonrechter bij het bestreden vonnis, afgezien van een bedrag van € 143,20 in verband met de vervanging van een apparaat van de BV, bedragen van € 2.080,30 en € 4.000,00 heeft toegewezen. Ten onrechte heeft de BV deze bedragen niet van haar vorderingen afgetrokken. De desbetreffende veroordelingen blijven in stand, omdat de incidentele grief tegen de toewijzing van eerstgenoemd bedrag faalt en [geïntimeerde] tegen de toewijzing van laatstgenoemd bedrag geen grief heeft gericht.
grieven 8 en 9 in het principaal hoger beroepstelt de BV voor het eerst in hoger beroep vorderingen in ter grootte van de zojuist genoemde bedragen. Zij legt hieraan ten grondslag, kort gezegd, dat [geïntimeerde] bij de ontruiming van het door hem gehuurde (met grof geweld) een aantal hem niet toebehorende en van het gehuurde deel uitmakende zaken heeft verwijderd en meegenomen. Aldus heeft hij bovendien schade toegebracht aan het pand. De BV begroot de door haar ter zake geleden schade (vervanging van door [geïntimeerde] meegenomen of beschadigde zaken en herstel van het pand) op een bedrag van € 40.148,90. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 15.026,67 aan huurderving, omdat de door haar gevonden nieuwe huurder, tandarts [tandarts 3], als gevolg van het noodzakelijke herstelwerk aan het pand de door hem van de BV gehuurde praktijkruimte niet per 1 januari 2022 maar pas 1 augustus van dat jaar kon betrekken.