Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
€ 345 te vergoeden.”
(21 december 2023);
2.Feiten
5 september 2017;
27 september 2017;
19 november 2017;
15 maart 2018 en
3.Geschil in hoger beroep
4.Overwegingen van de rechtbank
Artikel 124, eerste lid, aanhef en letter k, van het DWUArtikel 124, eerste lid, aanhef en letter k luidt:
1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
k) indien, behoudens lid 6, de douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 79 en Pro ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
Hof leest:ten onrechte zijn aangegeven voor de regeling in het vrije verkeer brengen], terwijl zij reeds ten tijde van de invoer hadden moeten worden geplaatst onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’ (moment A) en niet pas op het moment van de onterechte aanzuivering van de regeling AV (moment B). (Voor iedere afzonderlijke aangifte en iedere afzonderlijke aanzuivering geldt een moment ‘A’ en een moment ‘B’. Gemakshalve spreekt de rechtbank in het vervolg steeds over een enkel moment A en een enkel moment B.) Verweerder brengt op 21 augustus 2018 voor de douanerechten [die verschuldigd zijn] op grond van de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’ [
Hof leest:die verschuldigd zijn als gevolg van het aangeven van de goederen voor de regeling AV terwijl daarvoor geen vergunning is verleend] ook voor deze goederen rente op achterstallen in rekening over de periode gelegen tussen moment A en 21 augustus 2018, terwijl hij een deel van die periode, te weten de periode gelegen tussen moment B en 21 augustus 2018, reeds over dit bedrag aan douanerechten beschikte. Eiseres heeft dit bedrag immers voldaan bij de plaatsing van de goederen onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’ op moment B, waarmee zij beoogde voor deze goederen de regeling AV te zuiveren. Zij verkeerde immers in de onjuiste veronderstelling dat zij deze goederen bij invoer terecht onder de regeling AV had geplaatst. Verweerder kon dus voor deze goederen over het bedrag aan douanerechten voor plaatsing van de goederen onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’ beschikken vanaf moment B. Voor dit bedrag aan douanerechten geldt naar het oordeel van de rechtbank dat voor de periode tussen moment B en 21 augustus 2018 niet kan worden gesproken van een vertraging in de voldoening van de douaneschuld, zodat er geen aanleiding is om door middel van het heffen van rente op achterstallen over deze periode de niet-beschikbaarheid van een geldsom voor verweerder te compenseren, noch dat er sprake van is dat eiseres ongerechtvaardigd voordeel haalt uit het feit dat de ter zake van de douaneschulden verschuldigde bedragen te harer beschikking bleven.
€ 3.440.298,96 aan douanerechten.
5.Beoordeling van het geschil
nietin de verleende vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve veredeling zijn vermeld, maar waarvoor belanghebbende desondanks aangiften tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling heeft gedaan.
(Hof: utb 1)zie op die douaneschuld, die in de tijd vooraf gaat aan de latere gebeurtenissen. Die latere gebeurtenissen, die hebben geleid tot de UTB’s voor de veredelingsproducten, kunnen dan ook niet tot gevolg hebben dat de nu aangekondigde UTB achterwege blijft.
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.