Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juni 2022, waarin verdachte was veroordeeld voor mishandeling. Het hof vernietigde het vonnis en verklaarde bewezen dat verdachte op 11 november 2021 te Purmerend de moeder van zijn enkele weken oude dochter mishandelde door haar in het gezicht/tegen het hoofd te slaan.
De mishandeling vond plaats naar aanleiding van een discussie over de verzorging van hun dochter in de woning van het slachtoffer. Het handelen van verdachte veroorzaakte lichamelijk letsel en gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Het hof achtte de strafbaarheid van de daad onomstreden en wees het verweer dat de strafbaarheid zou zijn uitgesloten af.
In hoger beroep legde het hof een taakstraf van 40 uur op, mede gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en het feit dat verdachte direct verantwoordelijkheid nam en spijt betuigde. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €750 toegewezen, gelet op het letsel en de jurisprudentie omtrent vergelijkbare gevallen.
Het hof bepaalde dat de wettelijke rente vanaf 11 november 2021 verschuldigd is en stelde een gijzelingstermijn van maximaal 15 dagen in voor het geval de schadevergoeding niet wordt voldaan. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.