ECLI:NL:GHAMS:2024:152

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 januari 2024
Publicatiedatum
23 januari 2024
Zaaknummer
200.313.625/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 249 RvArt. 250 lid 4 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot betaling proceskosten na afstand van instantie in civiele procedure

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. Na een comparitie na aanbrengen is geen minnelijke regeling getroffen. Vervolgens hebben appellanten bij het hof aangegeven de procedure niet te willen voortzetten en afstand van instantie gedaan.

Geïntimeerden stemden in met de afstand van instantie, maar verzochten een bevelschrift voor de door hen gemaakte proceskosten. Het hof oordeelt dat verval van instantie kan worden verleend en dat appellanten verplicht zijn de proceskosten van geïntimeerden te betalen conform artikel 249 en Pro 250 lid 4 Rv.

Het hof beveelt appellanten tot betaling van de proceskosten, begroot op €5.689 aan verschotten en €5.152 aan salaris advocaat, en verklaart het bevelschrift uitvoerbaar bij voorraad. Het arrest is uitgesproken door drie rechters op 23 januari 2024.

Uitkomst: Appellanten doen afstand van instantie en worden veroordeeld tot betaling van proceskosten aan geïntimeerden, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.313.625/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/682166/HA ZA 20-372
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 januari 2024
inzake
MILLENIUM FOUNDATION, STICHTING,
gevestigd te Apeldoorn,
[appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. I. Wassenaar te Amsterdam,
tegen
rechtspersonen naar buitenlands recht
AC MANAGER LLC,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
DF 27 FUNDING L.P.,
gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,
geïntimeerden,
advocaat: mr. R.I. Loosen te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellanten zijn bij dagvaarding van 3 juni 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam dat op 9 maart 2022 onder bovengenoemd
zaaknummer tussen partijen is gewezen.
De zaak is aangebracht op de rol van 26 juli 2022.
Bij arrest van 9 augustus 2022 is een comparitie na aanbrengen gelast.
De comparitie na aanbrengen heeft op 17 november 2022 plaatsgevonden en heeft niet tot een minnelijke regeling tussen partijen geleid.
Appellanten hebben geen memorie van grieven genomen.
Appellanten hebben bij H8-formulieren van 25 juli 2023 het hof bericht dat zij de procedure niet willen voortzetten, de appelprocedure intrekken en afstand van instantie doen. Bij deze formulieren is als productie overgelegd een door appellanten aan hun advocaat verstrekte bijzondere volmacht om afstand van instantie te doen.
Bij H16-formulier van 25 juli 2023 hebben geïntimeerden het hof laten weten dat zij kunnen instemmen met de door appellant gedane afstand van instantie, doch een bevelschrift - uitvoerbaar bij voorraad - wensen te ontvangen in verband met de door hen gemaakte proceskosten.
Arrest is nader bepaald op heden.

2.Beoordeling

Het hof stelt vast dat verval van instantie kan worden verleend. Appellanten zijn ingevolge het tweede lid van artikel 249 Rv Pro verplicht de proceskosten van geïntimeerden te betalen. Daartoe kan op grond van artikel 250 lid 4 Rv Pro een bevelschrift n worden afgegeven. Geïntimeerden hebben een dergelijk bevelschrift verzocht ter zake van de door hen betaalde griffierechten en de voor de comparitie na aanbrengen gemaakte kosten. Het hof zal een bevelschrift voor deze kosten geven. Het bevelschrift is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

3.Beslissing

Het hof:
verstaat dat appellanten afstand van instantie hebben gedaan;
beveelt appellanten aan geïntimeerden te voldoen de kosten van het geding in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 5.689,- aan verschotten en € 5.152,- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.C.W. Rang en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024.