Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 62a Wet op de rechtelijke organisatieArt. 9a Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gerechtshof Amsterdam verklaart zich onbevoegd in verzoek tot schadevergoeding na voorlopige hechtenis
Verzoeker diende bij het Gerechtshof Amsterdam verzoekschriften in op grond van artikel 530 enPro 533 Sv voor vergoeding van schade door ondergane voorlopige hechtenis en gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De verzoekschriften werden op 31 oktober 2023 ingediend. Na kennisname van het standpunt van het Openbaar Ministerie en een openbare raadkamer op 14 mei 2024, waarbij verzoeker en zijn advocaat niet verschenen, oordeelde het hof dat het niet bevoegd was de verzoeken te behandelen.
De reden voor onbevoegdheid is dat het hof Den Haag de instantie is waar de zaak het laatst werd vervolgd, ondanks dat de zaak te Amsterdam werd behandeld. De aanwijzing die het hof Amsterdam als aangewezen zittingsplaats voor het hof Den Haag maakte, was per 1 januari 2024 beëindigd. Daarom worden de stukken doorgestuurd naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
Bij arrest van het hof Den Haag van 2 oktober 2023 was de strafzaak tegen verzoeker geëindigd zonder strafoplegging of maatregel. De verzoeken tot vergoeding betreffen een bedrag van € 10.790,00 voor schade door voorlopige hechtenis en € 340,00 voor kosten rechtsbijstand. Het hof Amsterdam verklaart zich onbevoegd en draagt de verdere behandeling over aan het hof Den Haag.
Uitkomst: Het Gerechtshof Amsterdam verklaart zich onbevoegd en zendt de stukken door naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
Uitspraak
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000833-23 (530 Sv) en 000834-23 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-001580-21
Beschikking op de verzoekschriften op de voet van artikel 530 enPro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. T. Šandrk,
Veerkade 8-C, 3016 DE Rotterdam.
1.Procesverloop
De verzoekschriften zijn op 31 oktober 2023 bij dit hof ingekomen.
Op 22 maart 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 14 mei 2024 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker en zijn advocaat zijn met kennisgeving hiervan niet in raadkamer verschenen.
2. Inhoud van het verzoek
De verzoeken strekken tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 10.790,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 340,00.
3.Beoordeling van het verzoek
Uit het onderzoek in openbare raadkamer is - voor zover hier van belang - het navolgende gebleken:
bij arrest van hof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, van 2 oktober 2023 is de strafzaak tegen verzoeker met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht;
omdat de zaak te Amsterdam is behandeld, zijn onderhavige verzoeken door de administratie van het hof Den Haag doorgestuurd aan de administratie van het hof Amsterdam;
- de aanwijzing ex artikel 62a Wet op de rechtelijke organisatie, waardoor het hof Amsterdam een aangewezen zittingsplaats was voor het hof Den Haag, is per 1 januari 2024 beëindigd.
Het hof stelt vast dat het hof Den Haag de instantie is waarvoor de zaak het laatst werd vervolgd. Om die reden is niet dit hof, maar het hof Den Haag bevoegd tot behandeling van onderhavige verzoekschriften. Het hof zal daarom bepalen dat de stukken zullen worden gezonden naar het hof Den Haag ter verdere behandeling.
4.Beslissing
Het hof verklaart zich onbevoegd de verzoeken ex artikel 530 enPro 533 te behandelen en
bepaalt dat de gerechtsjurist van het hof de stukken verzendt naar het hof Den Haag ter verdere behandeling.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, R.D. van Heffen en A.R.O. Mooy,
in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 4 juni 2024.