Verzoeker diende een verzoek in bij het hof Amsterdam tot vergoeding van schade en kosten verband houdend met voorlopige hechtenis en rechtsbijstand. Het hof Amsterdam onderzocht de bevoegdheid en constateerde dat het hof Den Haag de laatst bevoegde instantie is omdat de strafzaak daar het laatst werd vervolgd.
Tijdens de openbare raadkamer werd vastgesteld dat de aanwijzing die het hof Amsterdam als aangewezen zittingsplaats voor het hof Den Haag aanstelde per 1 januari 2024 was beëindigd. Hierdoor is het hof Amsterdam niet bevoegd om het verzoek te behandelen.
De strafzaak tegen verzoeker was bij het hof Den Haag geëindigd zonder strafoplegging of maatregel. Omdat de zaak te Amsterdam was behandeld, waren de verzoeken aanvankelijk door het hof Den Haag doorgestuurd naar het hof Amsterdam. Het hof Amsterdam verklaart zich nu onbevoegd en zendt de stukken terug naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het hof Amsterdam op 4 juni 2024, waarbij verzoeker niet is verschenen ondanks oproeping.