ECLI:NL:GHAMS:2024:1540
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- A.W.T. Klappe
- R.D. van Heffen
- A.R.O. Mooy
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vergoeding schade door voorlopige hechtenis en coronamaatregelen
Appellant was in juni 2020 in verzekering gesteld en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen, waarna hij in juli 2020 werd vrijgelaten. Hij verzocht om een hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag voor de geleden schade door detentie, mede vanwege PTSS-klachten en een quarantaineperiode door coronamaatregelen.
De rechtbank wees een hoger bedrag af wegens onvoldoende onderbouwing van extra schade en PTSS, en omdat quarantaine als coronamaatregel niet gelijkgesteld kon worden aan beperkingen in detentie. Het hof nam aanvullende medische stukken in overweging en achtte aannemelijk dat de vrijheidsbeneming zwaarder was dan gemiddeld, waardoor een verhoging met factor 1,25 gerechtvaardigd was.
Daarnaast werd de quarantaineperiode als een uitzonderlijke omstandigheid erkend, gelijkgesteld aan beperkingen in detentie, wat een hogere vergoeding per dag rechtvaardigde. Het hof kende een vergoeding toe van € 5.975 voor detentie en quarantaine, € 2.000 voor inkomstenderving ondanks beperkte onderbouwing, en € 1.020 voor kosten rechtsbijstand. Het verzoek tot verdere vergoeding werd afgewezen.
De beschikking werd op 4 juni 2024 door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam uitgesproken en de tenuitvoerlegging bevolen.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding toe van in totaal € 8.995 voor detentieschade, quarantaine, inkomstenderving en kosten rechtsbijstand.