Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
Gerechtshof Amsterdam
De zoon vorderde van zijn moeder terugbetaling van gedurende vele jaren aan haar gegeven inkomsten, met rente. Hij stelde dat hij vanaf zijn achtste jaar tot 2008 zijn inkomsten en studiefinanciering aan haar in bewaring had gegeven met de afspraak dat zij dit aan hem zou terugbetalen. De rechtbank wees zijn vordering aanvankelijk toe bij verstek, maar in verzet werd deze afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
In hoger beroep stelde de zoon bewijs te hebben geleverd met een overzicht van inkomsten en verklaringen van derden. Het hof oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende concreet waren: de verklaringen vermeldden niet waar, wanneer en om welke bedragen het ging, en het overzicht was niet onderbouwd met objectieve stukken. Bovendien waren de stellingen van de zoon tegenstrijdig met eerdere procedurele feiten.
Het hof concludeerde dat onvoldoende was komen vast te staan dat de moeder het geld had ontvangen en de afspraak tot terugbetaling bestond. Het verzoek om getuigen te horen werd afgewezen als onvoldoende onderbouwd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de zoon in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van de zoon tegen zijn moeder tot terugbetaling van inkomsten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.