ECLI:NL:GHAMS:2024:1870
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken wederrechtelijk verkregen voordeel bij witwassen
In hoger beroep is het vonnis van de politierechter betreffende een veroordeling wegens witwassen en de daarbij opgelegde ontnemingsvordering van € 34.242,14 aan de Staat herzien. De betrokkene werd eerder veroordeeld voor witwassen en verplicht tot betaling van het genoemde bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting op 13 juni 2024 verricht en de vordering van de advocaat-generaal tot afwijzing van de ontnemingsvordering in overweging genomen. Uit de beoordeling volgt dat niet is komen vast te staan dat de betrokkene daadwerkelijk een geldelijke beloning heeft ontvangen of dat er sprake is geweest van een waardevermeerdering van het vermogen door de witwashandelingen.
Het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1077) is hierbij leidend, waarin is vastgesteld dat het verrichten van witwashandelingen op zichzelf niet leidt tot een toename van het vermogen. Omdat ook niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten, wijst het hof de vordering tot ontneming af en vernietigt het het eerdere vonnis voor zover het de ontnemingsvordering betreft.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten.