ECLI:NL:GHAMS:2024:1968
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis woonrecht en zorg minderjarige zoon
Partijen, een man en een vrouw die een affectieve relatie hadden en samen een minderjarige zoon hebben, wonen samen in een sociale huurwoning. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis bepaald dat de vrouw het gebruiksrecht van de woning krijgt en de man deze uiterlijk 19 juli 2024 moet verlaten. Tevens is de zorg voor de zoon aan de vrouw toegewezen.
De man kwam in hoger beroep met een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, stellende dat hij het recht heeft op de woning, geen alternatief woonadres heeft en vanwege lichamelijke problemen niet kan zwerven. De vrouw voerde gemotiveerd verweer.
Het hof oordeelt dat het uitgangspunt is dat een vonnis uitvoerbaar is, tenzij zwaarwegende belangen van de veroordeelde dit verhinderen. Het belang van de zoon en de vrouw om in de woning te blijven wonen weegt zwaarder dan dat van de man. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat het vonnis op een kennelijke misslag berust.
Daarom wijst het hof de schorsingsvordering af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen voor beraad appellant en overleg van het procesdossier.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen en de vrouw mag in de woning blijven wonen met de zorg voor de minderjarige zoon.