ECLI:NL:GHAMS:2024:1976

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2024
Publicatiedatum
16 juli 2024
Zaaknummer
200.322.690/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 3:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tegenbewijs valsheid factuur en nadere bewijslevering in civiele procedure

In deze civiele zaak in hoger beroep staat de vraag centraal of appellant terecht een factuur van een derde bedrijf heeft gedeclareerd aan geïntimeerde. De rechtbank had de vordering van geïntimeerde toegewezen omdat appellant geen verweer had gevoerd. Geïntimeerde stelt dat de factuur vals is, onderbouwd met een e-mail van het derde bedrijf die dit bevestigt.

Appellant betwist de valsheid en heeft bewijs aangeboden, waaronder een conceptdagvaarding en correspondentie met een schuldenaar, ter onderbouwing van de gedeclareerde uren. Het hof oordeelt dat geïntimeerde voorshands heeft bewezen dat de factuur vals is, maar laat appellant toe tegenbewijs te leveren.

Het hof beveelt een getuigenverhoor en stelt termijnen voor bewijsaanlevering vast. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing, waarbij het hof de mogelijkheid tot nadere bewijslevering en het horen van getuigen biedt om de feiten nader te onderzoeken.

Deze tussenarrest benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering in declaratiegeschillen en biedt partijen de gelegenheid om hun stellingen nader te onderbouwen voordat een definitieve uitspraak volgt.

Uitkomst: Appellant wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de valsheid van de factuur en de zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.322.690/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10016795 CV EXPL 22-9799
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juli 2024
in de zaak van
[appellant] ,
handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. K. Horstman te Epe,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellante,
advocaat: mr. J.P.H.C. Swarts te Soest.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 9 december 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 12 september 2022 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 24 april 2024 laten toelichten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, mr. Horstman voornoemd aan de hand van overlegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met uitzondering van dat deel ten aanzien waarvan in incidenteel appel vernietiging is verzocht, te weten de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 2.286,90, en dat het hof, opnieuw rechtdoende, en na vermeerdering van eis [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen tot betaling van € 2.613,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2022, alles met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2.Eerste aanleg

2.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad - (i) [appellant] te veroordelen haar een bedrag van € 2.286,90 (terug) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede (ii) een bedrag van € 342,90 als vergoeding voor buitengerechtelijk kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.
2.2
[geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft vanaf 16 december 2021 in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] juridische bijstand aan haar verleend. [geïntimeerde] heeft in totaal € 3.521,10 aan voorschotten aan [appellant] betaald. Op 15 maart 2022 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst opgezegd omdat zij onvoldoende vertrouwen had in de handelwijze van [appellant] . De declaratiespecificatie die [appellant] haar vervolgens heeft gestuurd, waaruit zou blijken dat zij in totaal € 3.593,70 (dus nog € 72,70) aan hem moest betalen, is voor het merendeel aantoonbaar onjuist. Door [appellant] zijn ongegrond en excessief, althans te veel, uren gefactureerd, kennelijk met het doel de door [geïntimeerde] betaalde voorschotbedragen niet terug te hoeven betalen. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] niet 16 uur en 30 minuten, maar ten hoogste 5 uur en 40 minuten werkzaamheden voor haar heeft verricht. [appellant] dient derhalve een bedrag van € 2.286,90 aan [geïntimeerde] (terug) te betalen, aldus steeds [geïntimeerde] .
2.3
Nadat [appellant] had nagelaten verweer te voeren, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, behoudens de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten omdat ter zake onvoldoende was gesteld.

3.Beoordeling

3.1
[appellant] komt met één grief op tegen de beslissing van de kantonrechter. Hij betoogt dat de kantonrechter ten onrechte de vorderingen van [geïntimeerde] heeft toegewezen. [appellant] stelt daartoe dat hij uit hoofde van een overeenkomst van opdracht in de periode van 16 december 2021 tot 22 februari 2022 voor 16 uur en 30 minuten werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde] en dat hij daarvoor is betaald. Het overeengekomen uurtarief bedraagt € 180,- exclusief btw. De werkzaamheden zijn opgesomd in de declaratiespecificatie van 30 april 2022. Het totaalbedrag komt neer op € 3.593,70. [appellant] heeft alle in rekening gebrachte werkzaamheden verricht en er is geen sprake van ongegronde, excessief of te veel gedeclareerde uren, aldus [appellant] .
3.2
[geïntimeerde] betwist dat de door [appellant] gestelde telefoongesprekken hebben plaatsgevonden. Zij voert aan dat de daartoe door [appellant] overgelegde factuur van [bedrijf 2] vals is. De factuur vermeldt immers de niet bestaande datum ‘31 februari 2022’. Ook komt de factuur niet geheel overeen met voorbeeldfacturen van [bedrijf 2] die [geïntimeerde] online heeft gevonden. (De echtgenoot van) [geïntimeerde] heeft daarom contact opgenomen met [bedrijf 2] om de echtheid van de factuur te verifiëren. Een medewerker van [bedrijf 2] heeft op 28 juni 2023 per e-mail geschreven dat de factuur
“100% niet van [bedrijf 2] afkomstig[is]
en dat
“hier […] iemand aan het plakken en knippen[is]
geweest in een PDF zo te zien”. De factuur die [appellant] heeft overgelegd is dus valselijk opgemaakt. Daarmee voldoet [appellant] niet aan zijn verplichting overeenkomstig artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ook kwalificeert deze handelwijze als bedrog in de zin van artikel 3:44 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Gelet op de valse factuur ziet [geïntimeerde] aanleiding om verder te twijfelen aan de juistheid van de declaratiespecificatie van [appellant] . Om die reden concludeert [geïntimeerde] dat [appellant] ten hoogste 4 uur en 10 minuten aan werkzaamheden voor haar heeft verricht. [appellant] dient daarom in totaal € 2.629,80 (€ 342,90 meer dan in eerste aanleg was gevorderd) aan haar (terug) te betalen.
3.3
[geïntimeerde] heeft aan haar vordering (in eerste aanleg) in feite ten grondslag gelegd dat zij een groot deel van de voorschotfacturen onverschuldigd heeft betaald aan [appellant] omdat de overgelegde factuur van [bedrijf 2] vals zou zijn. Aangezien [appellant] deze stelling gemotiveerd heeft betwist, rust de bewijslast ter zake op [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] voorshands, dat wil zeggen tot op door [appellant] te leveren tegenbewijs, erin geslaagd te bewijzen dat de factuur van [bedrijf 2] vals is. Daartoe is redengevend de inhoud van de e-mail van 28 juni 2023 waarin een medewerker van [bedrijf 2] heeft geschreven dat de desbetreffende factuur niet van [bedrijf 2] afkomstig is.
3.4
Bij deze stand van zaken zal [appellant] worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dat de factuur van [bedrijf 2] vals is.
3.5
Tevens zal [appellant] in de gelegenheid worden gesteld de conceptdagvaarding die hij op 21 februari 2022 zou hebben opgemaakt in het geding te brengen, alsmede de correspondentie met betrekking tot de dagvaarding tussen [appellant] en de schuldenaar van [geïntimeerde] ( [bedrijf 3] ), zulks ter nadere onderbouwing van de door [appellant] gedeclareerde uren.
3.6
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4.Beslissing

Het hof:
laat [appellant] toe om tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dat de factuur van [bedrijf 2] vals is;
beveelt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. A.S. Arnold, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;
bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de advocaat van [appellant] uiterlijk op 13 augustus 2024 schriftelijk aan de griffie de namen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de voor te brengen getuigen in de periode september 2024 tot en met november 2025;
bepaalt dat [appellant] uiterlijk twee weken vóór het eventuele getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan het hof en de wederpartij dient toe te sturen;
bepaalt dat, als [appellant] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken uiterlijk 13 augustus 2024 in het geding dient te brengen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.S. Arnold en S.M.M. Garben en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.