Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van oplichting en het in voorraad hebben van valse bankbiljetten.
De ontnemingsvordering van het openbaar ministerie betrof een bedrag van €360.497,19, gebaseerd op een kasopstelling die het verschil tussen contante uitgaven en legale inkomsten berekende. De verdediging voerde onder meer aan dat bepaalde posten niet in de berekening mochten worden betrokken en dat de redelijke termijn was overschreden, wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid of matiging.
Het hof verwierp de verweren van de verdediging, onderbouwde de kasopstelling met bewijsstukken zoals aankoopbewijzen en verklaringen, en achtte aannemelijk dat het gehele bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel betrof. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid of matiging omdat de straf in de hoofdzaak deze overschrijding al verdisconteerde.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel definitief vast op €360.497,00, met de verplichting tot betaling aan de Staat. Een verzoek om het horen van een getuige werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.