Uitspraak
1.[notaris 1] ,
[notaris 2],
Gerechtshof Amsterdam
Klager diende op 6 maart 2024 een beroepschrift in tegen een beslissing van de kamer voor het notariaat. Het hof stuurde op 7 maart 2024 een nota voor griffierecht met een betalingstermijn van 28 dagen. Na een herinnering op 5 april 2024 betaalde klager het griffierecht pas op 4 mei 2024, te laat volgens de gestelde termijn.
Het hof gaf klager de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de late betaling. Klager voerde aan dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en zijn post via een postadres ontvangt, waardoor vertraging in ontvangst ontstond. Het hof oordeelde echter dat dit klager niet ontslaat van zijn verplichting tot tijdige betaling en dat hij geacht wordt de correspondentie binnen een redelijke termijn te ontvangen.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld. De beslissing werd op 30 juli 2024 door het hof uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.