Uitspraak
1.Het beklag
2.Het verslag van de advocaat-generaal
3.De voorhanden stukken
4.De behandeling in raadkamer
5.De beoordeling van het beklag
aanmerkelijkekans bestond op valsheid van die verklaring.
Gerechtshof Amsterdam
Klager diende een beklag in tegen het besluit van het openbaar ministerie om geen vervolging in te stellen tegen twee raadsheren van het gerechtshof Den Haag wegens vermeende meineed en valsheid in geschrift. De klacht vloeit voort uit een civiele procedure waarin klager heimelijk geluidsopnamen maakte van zittingen en de wrakingskamer. Klager stelde dat de raadsheren onwaarheden hadden verklaard en vooringenomen waren.
Het hof Amsterdam ontving het dossier en beoordeelde of de raadsheren als verdachten konden worden aangemerkt. Het hof concludeerde dat de schriftelijke reactie van de raadsheren op het wrakingsverzoek geen onder ede afgelegde verklaring is, zodat meineed niet aan de orde is. Ook oordeelde het hof dat er geen sprake is van valsheid in geschrift, omdat de schriftelijke reactie niet bestemd is als bewijsstuk en er geen aanwijzingen zijn voor opzet of misleiding.
Het hof stelde vast dat klager voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten te uiten en dat de procedure voldeed aan de eisen van een eerlijk proces. Er was geen reden om het openbaar ministerie te bevelen tot vervolging. Het beklag werd daarom afgewezen en deze beschikking is onherroepelijk.
Uitkomst: Het gerechtshof Amsterdam wijst het beklag af en beveelt geen vervolging van de raadsheren wegens meineed en valsheid in geschrift.