ECLI:NL:GHAMS:2024:2527
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag over vier minderjarige kinderen na uithuisplaatsing
De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de door de rechtbank Noord-Holland genomen beschikking tot beëindiging van zijn ouderlijk gezag over zijn vier minderjarige kinderen, die sinds 2020 onder toezicht staan en langdurig uithuisgeplaatst zijn. De kinderen verblijven momenteel bij een jeugdhulpaanbieder en hebben behoefte aan een stabiele en veilige opvoedomgeving.
De vader verzocht om een contra-expertise door het NIFP, stellende dat het raadsrapport onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd zou zijn en dat per kind afzonderlijk beoordeeld moest worden of beëindiging van het gezag gerechtvaardigd is. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling stelden dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is vanwege het belastende verleden, de kwetsbaarheid van de kinderen en het ontbreken van verbetering in het functioneren van de vader.
Het hof oordeelde dat een contra-expertise niet in het belang van de kinderen is omdat dit hen zou belasten en de noodzakelijke rust en duidelijkheid zou verstoren. Het hof sloot aan bij de rechtbank en bevestigde dat het gezag terecht is beëindigd omdat de vader niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen. De kinderen hebben behoefte aan een veilige, stabiele omgeving met professionele opvoeders waar zij kunnen werken aan traumaverwerking en ontwikkeling.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het beroep van de vader af, waarmee het gezag van de vader over alle vier de kinderen definitief is beëindigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de vader over de vier minderjarige kinderen.