Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2011 en 2014, waarvan de moeder het gezag heeft. De rechtbank had op 4 juni 2024 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 15 september 2024. De moeder betwistte deze machtiging en vorderde afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing.
De feiten tonen aan dat de kinderen sinds september 2022 in Nederland verblijven vanwege de oorlog in Oekraïne. Vanaf juli 2023 waren er zorgen over het functioneren van de moeder, waaronder vermoedens van middelengebruik, instabiele schoolgang van de kinderen en het regelmatig alleen laten van de kinderen. Diverse spoedmaatregelen en ondertoezichtstellingen zijn genomen. De moeder heeft niet voldoende meegewerkt aan hulpverlening en het wegnemen van zorgen, zoals het ondergaan van drugstesten.
Het hof oordeelt dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. De moeder heeft onvoldoende aangetoond dat zij de zorgen over haar functioneren en de veiligheid van de kinderen heeft weggenomen. De kinderen verblijven momenteel in een gezinshuis waar hun situatie is verbeterd. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en benadrukt het belang van samenwerking tussen moeder en hulpverlening om de omgang met de kinderen te hervatten.