ECLI:NL:GHAMS:2024:2601

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
23-002153-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering na medeplegen diefstal met geweld

De betrokkene werd aanvankelijk integraal vrijgesproken door de rechtbank Amsterdam, maar bij arrest van het gerechtshof op 15 november 2021 veroordeeld voor medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd door meerdere personen. Vervolgens vorderde het openbaar ministerie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €23.750 en legde de betrokkene de betalingsverplichting op. De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze ontnemingsvordering. Tijdens het hoger beroep werd onder meer gedebatteerd over de waarde van het gestolen horloge en de verdeling van de opbrengst.

Het hof overwoog dat het gestolen horloge een waarde had van circa €110.000 en een geschatte opbrengst van €75.000. Hoewel de betrokkene verklaarde slechts chauffeur te zijn geweest en €5.000 te hebben ontvangen, achtte het hof deze verklaring ongeloofwaardig en kende het gewicht aan zijn belangrijke rol binnen het delict. Het hof paste een pondspondsgewijze toerekening toe en bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €25.000 en de betalingsverplichting op €23.750.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ontnemingsvordering en legt de betrokkene een betalingsverplichting van €23.750 op.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002153-22 (ontneming)
datum uitspraak: 10 september 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-665235-19 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].

Procesgang

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2019 integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 november 2021 veroordeeld voor - kort gezegd - diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 23.750,00.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 22 juli 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.750,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
30 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging zal aanvullen.

Nadere bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft bij conclusie van 29 juli 2024 gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 25.000,00 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 23.750,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal persisteert bij de vordering.
De verdediging heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel hoogstens kan worden vastgesteld op € 5.000,00. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij slechts de chauffeur van de auto was en dat hij dit bedrag een paar uur na de beroving heeft ontvangen. Er waren over de verdeling van de buit geen afspraken gemaakt en hij weet niet wat na de beroving is gebeurd met het gestolen horloge. De volgende dag heeft de verdachte van de € 5.000,00 trainingspakken in België gekocht. Daarbij heeft de raadsman nog aangevoerd dat niet is gebleken dat het gestolen horloge daadwerkelijk is verkocht.
Het hof overweegt dat de betrokkene bij arrest van 15 november 2021 is veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van diefstal. In de ontnemingsrapportage van 18 november 2022 is vermeld dat aangever [aangever] voor het gestolen horloge uitgaat van een waarde van € 110.000. In het OVC-gesprek tussen [naam 1] en [naam 2], dat door het hof in het arrest in de strafzaak [1] van de betrokkene is gebruikt als bewijsmiddel, wordt gesproken over een waarde van € 112.000 voor het gestolen horloge. Het hof gaat daarom uit van een waarde van het horloge op het moment van de diefstal van circa € 110.000. Over de mogelijke opbrengst van het horloge bij verkoop na de diefstal wordt in het OVC gesprek uitgegaan van een opbrengst van € 75.000. Dat het horloge een lager bedrag bij verkoop heeft opgeleverd, is niet aannemelijk gemaakt. De opbrengst van het horloge wordt daarom geschat op € 75.000. Anders dan de verdediging heeft gesteld is niet vereist dat bewezen moet zijn dat het horloge is verkocht om wederrechtelijk verkregen voordeel bij de betrokkene aan te kunnen nemen.
Het hof stelt voorop dat de betrokkene en zijn mededaders (aanvankelijk) geen verklaring hebben afgelegd over de verdeling van de opbrengst van het horloge. In het hiervoor bedoelde OVC gesprek wordt enerzijds gezegd dat ieder € 25.000 krijgt en anderzijds wordt over de chauffeur gezegd dat hij misschien € 5.000 gaat krijgen. Een concrete aanwijzing over de verdeling van de opbrengst kan, gelet op deze tegenstrijdigheid, niet uit dit gesprek worden afgeleid. De verklaring van de betrokkene dat hij voor de beroving € 5.000,00 heeft ontvangen, heeft hij pas ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd en enige onderbouwing hiervan ontbreekt.
Het hof kent betekenis toe aan de belangrijke rol die de betrokkene had als chauffeur en gaat voorbij aan de ongeloofwaardige verklaring van de betrokkene, zoals afgelegd ter zitting in hoger beroep. Het hof ziet daarom in de omstandigheden van dit geval onvoldoende aanknopingspunten om tot een andere toerekening te komen dan een pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof zal derhalve het vonnis van de rechtbank bevestigen waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 25.000 en de betalingsverplichting is gesteld op € 23.750.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. A.P.M. van Rijn en I.A. Groenendijk, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
10 september 2024.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]