De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van een poging tot woninginbraak op 1 augustus 2022 te Amsterdam. Kort na een melding van een mogelijke inbraak werden verdachte en een medeverdachte gezien terwijl zij uit de achtertuin van de woning renden. De verdachte droeg handschoenen en had gereedschap bij zich dat overeenkomt met de schade aan de achterdeur van de woning.
De verdachte verklaarde dat hij slechts wachtte op de medeverdachte die gereedschap aan hem had gegeven, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig en strijdig met het bewijsmateriaal. Camerabeelden en de aangetroffen beschadigingen ondersteunen het oordeel dat verdachte actief deelnam aan de poging tot inbraak.
De rechtbank had verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf waarvan 1 maand voorwaardelijk, maar het hof vernietigde dit vonnis en legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op, mede vanwege recidive en het feit dat het delict in twee proeftijden werd gepleegd.
Daarnaast verklaarde het hof de in beslag genomen gereedschappen verbeurd omdat deze bij het plegen van het misdrijf werden gebruikt. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd ingetrokken. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 24 september 2024.