Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:2717

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
27 september 2024
Zaaknummer
23-001563-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 285 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging ex-vriendin met mes en oplegging geldboete

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling door het tonen van een mes aan zijn ex-vriendin op 8 april 2023 in Amsterdam.

De verdachte had een mes in zijn jaszak en trok het handvat deels uit zijn zak om het aan het slachtoffer te tonen tijdens een ontmoeting waarbij de ex-vriendin samen met haar vader spullen kwam ophalen. Hoewel de verdachte ontkende het mes daadwerkelijk te hebben getoond, achtte het hof dit wettig en overtuigend bewezen op basis van zijn eigen verklaring en overige bewijsmiddelen. Het hof sprak de verdachte vrij van het deel van de tenlastelegging dat betrekking had op het maken van een stekende beweging met het mes.

De rechtbank had de verdachte vrijgesproken, maar het hof oordeelde anders en legde een geldboete van €350 op, passend gelet op de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer. De vordering tot immateriële schadevergoeding van €500 door het slachtoffer werd afgewezen omdat onvoldoende concrete onderbouwing werd gegeven voor een aantasting van haar persoon. Tevens werd de voorwaardelijke werkstraf uit 2021 tenuitvoer gelegd vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geldboete van €350 voor bedreiging met tonen van mes aan ex-vriendin; vrijspraak voor stekende beweging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001563-23
datum uitspraak: 10 september 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 13-095452-23 en 13-194588-20 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
BRP-adres: [adres 1]
verblijfadres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 8 april 2023 te Amsterdam [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes te tonen en/of met een mes een stekende beweging te maken in de richting [benadeelde].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de bewijsvraag komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte het mes dat hij in zijn jaszak had niet uit zijn zak heeft gehaald en dus niet daadwerkelijk heeft getoond. Verdachtes handelen levert daarom geen bedreiging op.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Op 8 april 2023 kwam de aangeefster samen met haar vader spullen ophalen bij de verdachte. De relatie tussen de aangeefster en de verdachte was kort daarvoor verbroken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard een mes te hebben meegenomen in zijn jaszak toen hij naar aangeefster toe liep. Toen hij de vader van aangeefster aan zag komen lopen, heeft hij het handvat van het mes een stukje uit zijn zak getrokken en aan de aangeefster getoond.
Het standpunt van de raadsman dat de verdachte het mes niet daadwerkelijk heeft getoond vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de grotendeels bekennende verklaring die de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd.
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met het mes ook een stekende beweging heeft gemaakt zodat hij van dat deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 april 2023 te Amsterdam [benadeelde] heeft bedreigd met zware mishandeling door een mes te tonen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 350,00.
De raadsman heeft verzocht een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door een mes te tonen aan het slachtoffer, zijn ex-vriendin.. Door zijn handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 350,00 passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, geheel bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.
Immateriële schade kan op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) – voor zover van belang – worden aangenomen als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Het hof moet beoordelen of hier sprake is van ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat, hoewel de verdachte zich intimiderend jegens de benadeelde partij heeft gedragen en dit ongetwijfeld impact zal hebben gehad, zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat sprake is van aantasting in haar persoon als bedoeld in genoemde wettelijke bepaling. Ook in het dossier kunnen hiervoor onvoldoende aanknopingspunten worden gevonden. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het rechtsgeding opleveren. Van een normschending waardoor de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder nadere onderbouwing, is naar het oordeel van het hof geen sprake.
De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2021 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2021, parketnummer 13-194588-20, te weten van:
taakstrafbestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
15 (vijftien) dagenjeugddetentie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. N. van der Wijngaart en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2024.
mr. Kengen en mr. Van der Wijngaart zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.