Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake verduistering in dienstbetrekking en poging daartoe van bankbiljetten ter waarde van 2 miljoen euro. De verdachte werkte bij een bedrijf waar hij gedurende enkele maanden geldbundels verplaatste en geld uit de bundels meenam, onder meer in zijn onderbroek en rugtas.
Het hof vulde de bewijsmiddelen aan met een aanvullend proces-verbaal en sporenonderzoek en bevestigde de bekennende verklaring van de verdachte. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De advocaat-generaal eiste 30 maanden onvoorwaardelijk, terwijl de verdediging een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf bepleitte.
Het hof oordeelde dat de feiten ernstig waren, met een groot financieel nadeel en schending van vertrouwen, en dat de verdachte planmatig en geraffineerd te werk was gegaan. Gezien de ernst en het bedrag achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar matigde deze tot 27 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.
Het vonnis van de rechtbank werd bevestigd behalve ten aanzien van de straf, die werd vernietigd en opnieuw vastgesteld. De tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de straf. De tenuitvoerlegging vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting, met mogelijke deelname aan penitentiaire programma's of voorwaardelijke invrijheidstelling.