Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
grief 1komt Pluimers Verpakkingen op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het binnenhalen van bouwopdrachten door terzake kundige medewerkers bij uitstek onder dienstverlening op het gebied van de bouw valt. Pluimers Verpakkingen voert daartoe aan dat vastgesteld moet worden of zij een ‘onderneming’ in de zin van het Verplichtstellingsbesluit is, niet of zij zich bezighoudt met ‘dienstverlening op het gebied van bouw’. Artikel A.2 sub a van het Verplichtstellingsbesluit bepaalt dat een onderneming in de zin van het Verplichtstellingsbesluit een onderneming op het gebied van het bouw- en infrabedrijf is. Wat een onderneming op het gebied van het bouw- en infrabedrijf is wordt in artikel A.2 sub a van het Verplichtstellingsbesluit gedefinieerd, waarvan de gemene deler is dat het moet gaan om feitelijke bouwactiviteiten. Het commercieel binnenhalen van werk dat door een bouwbedrijf gaat worden uitgevoerd, valt daar niet onder. Daarnaast heeft Pluimers Verpakkingen aangevoerd dat uit het Verplichtstellingsbesluit niet volgt dat een ‘derde’ in de zin van het Verplichtstellingsbesluit ook een gelieerde vennootschap binnen een groep in de zin van artikel 2:24b BW kan zijn. Volgens Pluimers Verpakkingen wordt met het begrip ‘derden’ gedoeld op externe entiteiten, meer specifiek op opdrachtgevers c.q. klanten van de bouwondernemingen, en niet op Pluimers Verpakkingen die acquisitie- en andere ondersteunende werkzaamheden verricht ten behoeve van andere Pluimers entiteiten, aldus nog steeds Pluimers Verpakkingen.
grief 2komt Pluimers Verpakkingen op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij per 1 juli 2020 in verzuim is ten aanzien van de wettelijke verplichting om uit hoofde van het Uitvoeringsreglement Bouwnijverheid van Bpf Bouw (hierna: het Uitvoeringsreglement) informatie te verstrekken en premie te betalen. Pluimers Verpakkingen heeft daartoe aangevoerd dat zij niet per 1 juli 2020 in verzuim kan zijn geraakt met betrekking tot het aanleveren van administratieve gegevens en daaropvolgende premiebetaling omdat Bpf Bouw nooit heeft aangegeven dat deze verplichting moest worden nagekomen, laat staan dat Pluimers Verpakkingen in gebreke is gesteld. Voor het geval Bpf Bouw zou betogen dat in artikel 14 lid 3 sub f Uitvoeringsreglement Pro is afgeweken van de wettelijke regeling inzake verzuim heeft volgens Pluimers Verpakkingen te gelden dat ex artikel 6:213 lid 1 BW Pro afwijking alleen kan door middel van een overeenkomst en een uitvoeringsreglement geen overeenkomst is.
grief 3komt Pluimers Verpakkingen op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd is over de vertraagde premiebetaling. Pluimers Verpakkingen heeft daartoe aangevoerd dat het Uitvoeringsreglement geen handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW is. Pluimers Verpakkingen zou hoogstens de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro verschuldigd zijn, maar er is geen sprake van een vertraging in de voldoening van een geldsom, zodat ook geen wettelijke rente is verschuldigd, aldus Pluimers Verpakkingen.