ECLI:NL:GHAMS:2024:3034

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
23-001006-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering wegens medeplegen professioneel vuurwerkhandel

In deze zaak is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Overijssel veroordeeld wegens medeplegen van het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. Tevens is aan betrokkene een ontnemingsvordering opgelegd tot betaling van €67.295 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 juli 2024 het vonnis van de rechtbank bevestigd, met een aanvulling op de grondslag van de ontnemingsvordering en bespreking van de in hoger beroep gevoerde verweren. Het hof corrigeerde tevens enkele bedragen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene voerde onder meer aan dat de waarde van het vuurwerk op de voorraadlijst in mindering moest worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat hij niet de opsteller van de lijst zou zijn. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de voorraadlijst onderdeel was van de bedrijfsvoering van betrokkene en dat de berekening van het voordeel was gebaseerd op een schatting van de verkochte hoeveelheid vuurwerk, waarbij geen voordeel werd toegekend voor inbeslaggenomen vuurwerk.

Verder constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar in hoger beroep, maar aangezien deze overschrijding reeds in de strafzaak was verdisconteerd, werd in deze ontnemingszaak volstaan met een constatering hiervan.

Het arrest bevestigt de ontnemingsvordering en de veroordeling van betrokkene, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand blijft.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling en ontnemingsvordering van circa €67.295 wegens medeplegen van professioneel vuurwerkhandel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001006-22 (ontneming)
datum uitspraak: 16 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
08-996002-17 tegen de betrokkene:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 67.295,00.
De betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2019 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van voorhanden hebben van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Voorts heeft de economische kamer van de rechtbank Overijssel bij vonnis van 31 oktober 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 67.295,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Bij arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024 is het vonnis van de rechtbank Overijssel in de strafzaak bevestigd met uitzondering van de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de opgelegde straf.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is, na verwijzing van de zaak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar dit hof, gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 en 20 juni en 2 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
 de grondslag van de ontnemingsvordering aanvult;
 ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren bespreekt;
 het bedrag onder ‘inkoop’ in de tabel in paragraaf 3.2 van het vonnis corrigeert van € 36.055,- naar € 35.893,25 en het bedrag in diezelfde tabel van € 21.140,- corrigeert naar € 20.393,-.

Grondslag van de ontnemingsvordering

De betrokkene is onder andere veroordeeld voor het op 1 december 2016 medeplegen van voorhanden hebben van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. In de onder de betrokkene inbeslaggenomen gegevensdragers zijn drie digitale bestanden aangetroffen, te weten een voorraadlijst van vuurwerk, een bestellijst (inkoop) van vuurwerk en een foto van een handgeschreven bestellijst van vuurwerk. [1] Daarnaast hebben (voormalig) medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaard in opdracht van de betrokkene een paar keer ritten met een lading vuurwerk voor hem te hebben gereden. [2] Het hof acht op basis hiervan voldoende aanwijzingen aanwezig dat de betrokkene uit de in het strafarrest bewezenverklaarde of uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De ontnemingsvordering en dit arrest zijn gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Bespreking van in hoger beroep gevoerd verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het bedrag van € 48.377,60, zijnde de waarde van het vuurwerk op de voorraadlijst, in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene weliswaar in de onderliggende bestandseigenschappen van die voorraadlijst als auteur vermeld staat, maar dat dit niet betekent dat de betrokkene ook de opsteller van de voorraadlijst is. De betrokkene heeft het Word-bestand uit interesse geopend en mogelijk een kleine wijziging aangebracht. Het aanbrengen van wijzigingen in een Word-bestand kan als gevolg hebben dat de persoon die de wijzigingen heeft aangebracht in de bestandseigenschappen als auteur wordt vermeld. Het is daarom niet aannemelijk dat de betrokkene de inbeslaggenomen voorraadlijst zelf heeft opgesteld.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof kent, in tegenstelling tot de raadsman, geen doorslaggevende betekenis toe aan de identificatie van de auteur van de voorraadlijst. De voorraadlijst is aangetroffen onder de betrokkene. De betrokkene heeft bekend dat hij in de vuurwerkhandel zat en het hof acht op basis van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de voorraadlijst onderdeel was van de bedrijfsvoering van de betrokkene, zijnde de handel in vuurwerk. Dit geldt ook voor de bij de betrokkene op een usb-stick aangetroffen lijst en de op een foto in de telefoon van de betrokkene aangetroffen bestellijst.
Het verweer van de raadsman inhoudende dat de aanschafwaarde van de inbeslaggenomen partij vuurwerk op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht treft geen doel. Het wederrechtelijke verkregen voordeel (voor aftrek van kosten) is berekend op basis van een schatting van de hoeveelheid vuurwerk die is verkocht. Daarbij is een percentage van de verkoopprijs (35,17%) dan wel de inkoopprijs (54,24%) gehanteerd. Voor vuurwerk dat in beslag is genomen, is geen wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking genomen zodat er geen reden is om de aanschafwaarde daarvan in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het verweer dat de waarde van de in beslag genomen Volkswagen Golf op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht behoeft geen bespreking nu het hof, net als de rechtbank, niet overgaat tot verbeurdverklaring hiervan.
Overschrijding redelijke termijn
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in hoger beroep overschreden. Namens de betrokkene is op 11 november 2019 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 16 juli 2024. De overschrijding betreft twee jaar en acht maanden. Deze schending van artikel 6, eerste lid, EVRM zou in het algemeen leiden tot een matiging van de verplichting tot betaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld. Nu deze overschrijding in de onderliggende strafzaak in de opgelegde straf is verdisconteerd, volstaat het hof in deze ontnemingszaak met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.D. van Heffen,
in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2024.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel verdachte [betrokkene] van 13 juli 2017, p. 4 – 10; proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2017, p. B-1425 – B-1426; proces-verbaal onderzoek aan gegevensdrager(s) van 23 februari 2017, p. B-1239.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 9 februari 2017, p. B-191 – B-198; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 9 februari 2017, p. B-201 – B-205; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 4 mei 2017, p. B-302 – B-313.