Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
“Ik verklaar verder, dat:”) meningen en opvattingen over de persoon van [appellant] gepresenteerd die de indruk kunnen wekken bij de lezer dat deze uit zijn eigen ervaringen met [appellant] voortvloeien, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is aangezien [geïntimeerde] en [appellant] elkaar niet persoonlijk kennen. De beschrijving van de persoon van [appellant] is gebaseerd op hetgeen [geïntimeerde] van [naam 1] en anderen heeft vernomen en klaarblijkelijk is gekleurd door hetgeen [geïntimeerde] in de media over [appellant] heeft gelezen. Deze manier van verklaren kan misleidend zijn, omdat een indruk van persoonlijke kennis wordt gewekt die er in werkelijkheid niet is. Door deze meningen als gebaseerd op eigen ervaringen te presenteren, heeft [geïntimeerde] het risico vergroot dat aan zijn verklaring meer gewicht zou worden toegekend dan gerechtvaardigd was wanneer duidelijk zou zijn gemaakt dat zijn beweringen louter gestoeld zijn op verklaringen van horen zeggen. Het hof weegt in zijn oordeel dat [geïntimeerde] zich hiervan had dienen te onthouden zwaar mee dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de (aard van de) gerechtelijke procedures tussen [appellant] en [naam 1] , waardoor hij wist welke belangen er voor [appellant] op het spel stonden en dat zijn verklaring een negatieve invloed kon hebben op de positie van [appellant] in die procedures. Tegen die achtergrond mocht van [geïntimeerde] verwacht worden dat hij een grote mate van zorgvuldigheid zou betrachten bij het formuleren van zijn verklaring. Door dit na te laten, heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof gehandeld in strijd met hetgeen het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig jegens [appellant] . De door [appellant] verzochte verklaring voor recht met deze strekking zal daarom worden toegewezen.