ECLI:NL:GHAMS:2024:3289
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot gelasten DNA-onderzoek en ontkenning vaderschap wegens onvoldoende concrete feiten
De man verzocht om een DNA-onderzoek om vast te stellen of hij de biologische vader is van drie minderjarige kinderen, geboren tijdens zijn huwelijk met de vrouw. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de man in hoger beroep ging. Hij baseerde zijn twijfel op een mededeling van een bekende van de vrouw, die deze niet wilde bevestigen.
De vrouw en de rechtbank stelden dat de man onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had gesteld om het verzoek te onderbouwen. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden het verzoek wel toe te wijzen, vanwege het belang van duidelijkheid voor de kinderen.
Het hof oordeelde echter dat de man zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat het gelasten van DNA-onderzoek tegen het belang van de kinderen ingaat. De vrouw betwistte de stellingen van de man uitdrukkelijk. Het beroep op internationale kinderrechten werd verworpen. De man werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gelasten van DNA-onderzoek en ontkenning van het vaderschap af en veroordeelt de man in de proceskosten.