Partijen zijn in 2020 gehuwd te Turkije en hebben een minderjarige gezamenlijk kind. De echtscheiding werd uitgesproken bij beschikking van 9 februari 2022, welke op 15 februari 2022 openlijk bekend werd gemaakt via publicatie in de Staatscourant. De betekening van de beschikking vond plaats op 17 februari 2022 aan het adres van de voormalig echtelijke woning, waar de vrouw niet daadwerkelijk verbleef.
De vrouw kwam op 5 september 2022 in hoger beroep tegen de beschikking, ruim na de wettelijke termijn. Zij stelde echter dat zij pas op 10 juni 2022 kennis had genomen van de beschikking en dat de betekening niet rechtsgeldig was omdat zij niet op het adres verbleef waar de betekening plaatsvond. De man betwistte dit en stelde dat de vrouw bewust haar adres niet had gewijzigd.
Het hof oordeelde dat de man wist dat de vrouw niet op het adres verbleef en dat de betekening daarom niet rechtsgeldig was. Hierdoor was de beroepstermijn niet gestart en was het hoger beroep tijdig ingesteld. Tevens stelde het hof vast dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 14 juni 2022 te vroeg en zonder rechtsgevolg was, omdat de beschikking nog niet in kracht van gewijsde was gegaan.
Het hof gaf partijen de gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over de rechtsgevolgen van deze te vroege inschrijving en de mogelijke gevolgen voor hun verzoeken in hoger beroep. De verdere beslissing werd aangehouden.