In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellante verplicht was tot terugbetaling van een investering van €100.000 aan geïntimeerde, afhankelijk van de opbrengsten van een bedrijf waarin werd geïnvesteerd.
Het hof heeft het bewijs van de voorwaarde geleverd geacht, waarbij een getuige, een accountant van de belastingadviseurs, verklaarde dat partijen waren overeengekomen dat terugbetaling alleen zou plaatsvinden als de opbrengsten dat toelieten. Het hof verwierp het verweer van geïntimeerde dat terugbetaling onder alle omstandigheden verschuldigd zou zijn.
Daarnaast werd de vraag behandeld of partijen ieder de helft van de factuur van de belastingadviseurs zouden betalen. De getuige kon geen bevestiging geven van een dergelijke afspraak, en omdat geen ander bewijs werd geleverd, werd het tegenbewijs niet geleverd. Daarom veroordeelde het hof appellante alsnog tot betaling van de helft van de factuur.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en wees de vordering tot terugbetaling af. Tevens werd geïntimeerde veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en principaal hoger beroep, en appellante in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.
De uitspraak werd door het hof in openbaar gedaan op 19 maart 2024.