ECLI:NL:GHAMS:2024:713
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging zorgregeling en toewijzing hoofdverblijfplaats aan vader bij gezamenlijk gezag
De zaak betreft het gezag, de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind na ontbinding van het huwelijk van de ouders. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind verdeeld verblijft bij beide ouders. De moeder verzocht om een regeling met langere verblijfsperioden bij haar, terwijl de vader instemde met de rechtbankregeling maar in incidenteel hoger beroep vroeg om eenhoofdig gezag en hoofdverblijfplaats bij hem.
Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft omdat de zorgen over de moeder, zoals verminderde bereikbaarheid en communicatieproblemen, niet leiden tot een onaanvaardbaar risico voor het kind. De moeder draagt nog steeds bij aan belangrijke beslissingen en het risico op ontvoering wordt onvoldoende onderbouwd om het gezag te wijzigen.
Ten aanzien van de zorgregeling vindt het hof dat de huidige regeling het beste aansluit bij het belang van het kind, mede vanwege de lange reistijd tussen de woonplaatsen van de ouders. Een hele week bij de moeder verblijven is te belastend. De hoofdverblijfplaats wordt bij de vader vastgesteld omdat hij de stabiele factor is, het kind bij hem is ingeschreven en de moeder recent pas een vaste woonplek heeft gevonden.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, wijst het verzoek om eenhoofdig gezag af en bepaalt dat het kind met ingang van de beschikking haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft.
Uitkomst: De zorgregeling wordt bekrachtigd, het verzoek om eenhoofdig gezag wordt afgewezen en de hoofdverblijfplaats wordt bij de vader vastgesteld.